Voedselbossen en de discussie over invasieve exoten

In voedselbossen worden, met het oog op de voedselproductie, deels soorten aangeplant die ‘exoot’ worden genoemd. Dit wil zeggen dat die planten van origine uit een ander gebied stammen. Zoals de vijg (Turkije), de appel (Kazachstan) en de pecannoot (USA). Het is belangrijk om te beseffen dat de meeste exoten géén invasieve exoten zijn. De meeste exoten zijn dus géén planten die gaan woekeren op plaatsen waar dat niet gewenst is.

De Europese Unie heeft een richtlijn opgesteld met betrekking tot die soorten die wel invasief (kunnen) zijn. Deze mogen niet verhandeld en niet aangeplant worden. Het spreekt vanzelf dat ook voedselbossen zich aan deze lijst moeten houden. De lijst is hier te raadplegen.

In opdracht van de NVWA is een rapport opgesteld over voedselbosbouw en een mogelijk risico t.a.v. invasieve exoten. Het is een goede zaak dat hier aandacht voor is. Soms worden in dat rapport (ook) letterlijk appels en peren bij elkaar opgeteld, want beiden zijn exoot. Het op deze manier tot stand gekomen cijfer van 82% van de aangeplante soorten die in voedselbossen exoot zou zijn is op zich niet zo relevant. Bij veel conventionele fruittelers en akkerbouwers is dat overigens 100%.

Waar het om hoort te gaan is of er sprake is van aanplant die een reëel risico op ongewenste verspreiding met zich meebrengt. Het veel kortere lijstje van soorten dat dan overblijft in het rapport verdient het om nader beschouwd te worden. De eetbare schijnaugurk (Akebia quinata) blijkt bijvoorbeeld als ‘potentieel invasief’ te worden vermeld vanwege ervaringen uit Florida. Dit is echter een dusdanig andere klimaatzone dat deze conclusie niet geldig is voor de Nederlandse context. In werkelijkheid wordt de schijnaugurk hier al tientallen jaren in tuinen en parken aangeplant. Het aantal individuen dat zich in Nederland naar elders heeft verspreid blijkt vrijwel nihil te zijn. Deze plant is dus ten onrechte als ‘potentieel invasief’ gekarakteriseerd. Maar het rapport maakt ook helder dat het bij de volgende soorten wel verstandig is om – in de buurt van specifieke natuurgebieden – af te zien van aanplant:

  • De rimpelroos (Rosa rugosa) kan in duingebieden gaan woekeren
  • De appelbes (Aronia spp) kan zich in laagveengebieden fors uitbreiden
  • De Amerikaanse blauwe bes (Vaccinium corymbosum) kan zich vestigen in hoogveenreservaten

Hoewel deze drie soorten niet op de Unielijst staan van soorten die niet aangeplant mogen worden, is het op specifieke locaties beter om toch van aanplant af te zien. Overigens worden deze soorten nu in heel Nederland nog veelvuldig toegepast in openbaar groen, tuinen en kwekerijen. Het spreekt voor zich dat het belangrijk is dat (ook) deze sectoren zich rekenschap gaan geven van ongewenste effecten in sommige regio’s.